Last Updated on September 18, 2026
- ESPO waardeert dat de Commissie de problemen rond carbon- en business leakage erkent en via aanpassingen aan de lijst met buurlanden ontwijkend havenverkeer wil aanpakken. De organisatie verzet zich echter tegen het verlagen van de maritieme ETS-drempel van 5.000 naar 400 GT, omdat dit volgens haar de verschuiving van zee naar wegvervoer versterkt en shortsea-scheepvaart benadeelt. Ook vragen ze dat de Commissie de ETS-regels opnieuw beoordeelt zodra er een IMO-akkoord over een Net-Zero Framework ligt.
- ECSA verwelkomt dat de Commissie ETS-inkomsten op EU- en nationaal niveau voor de scheepvaart oormerkt, steun biedt voor duurzame brandstoffen en de rapportagevereisten vereenvoudigt. De organisatie vindt echter dat er te weinig steun is voor energie-efficiëntie en schone technologieën. ECSA pleit daarnaast voor meer financiële-steun voor de sector, duidelijke afspraken dat EU-maatregelen worden ingetrokken zodra er een IMO-akkoord is en waarborging van een gelijk speelveld tussen verschillende typen scheepvaart binnen het ETS.
- Cefic waarschuwt dat de ETS-herziening de CO2-kosten voor de chemische industrie verder opdrijft, terwijl betaalbare energie, infrastructuur en technologie om te decarboniseren nog ontbreken. Dit zou de concurrentiepositie en investeringsbereidheid van de sector ondermijnen en het risico op carbon leakage vergroten. Wel is Cefic positief over de aanpassing van de lineaire reductiefactor en de mogelijkheid om internationale koolstofkredieten te gebruiken.
- BusinessEurope staat positief tegenover de voorstellen van de Commissie omtrent emissiereducties en de afbouw van gratis rechten, maar moet de impact van de concrete cijfers nog intern beoordelen. Tegelijk uit de organisatie zorgen over extra administratieve lasten door nieuwe voorwaarden aan gratis emissierechten en over de onduidelijke rol van internationale koolstofkredieten.
- Carbon Management Europe ziet in het ETS-voorstel een belangrijke eerste stap: uitbreiding van het kader voor CO2-transport en -opslag, koppeling van CO2-verwijdering aan het ETS en het versterken van de financiële steun. Wel wijzen zij erop dat veel cruciale details over koolstofboekhouding, grensoverschrijdend CO2-transport en de rol van permanente verwijderingen bij restemissies nog ontbreken. De organisatie benadrukt dat de uitwerking in gedelegeerde en uitvoeringshandelingen bepalend wordt voor de effectiviteit van industrieel carbon management.
- Hydrogen Europe is positief over de introductie van “conditional allowances” in het ETS (waarbij een deel van de gratis rechten gekoppeld wordt aan investeringen in schone processen) en over het doortrekken van dit model naar de maritieme sector. Samen met de nieuwe Industrial Decarbonisation Bank kunnen deze maatregelen investeringen in waterstof en andere decarbonisatietechnologieën versnellen. Tegelijk is Hydrogen Europe kritisch op de lagere lineaire reductiefactor, omdat een sterke CO2-prijs volgens hen essentieel is voor rendabele industriële decarbonisatie en investeringszekerheid.
- EUROFER waarschuwt dat de bijna volledige uitfasering van gratis rechten tegen 2033 een decarbonisatie-tijdlijn veronderstelt waarvoor nog geen betaalbare, voldoende beschikbare en EU-breed toegankelijke groene stroom en waterstof bestaan. Volgens de organisatie blijft de investeringsonzekerheid groot doordat de afbouw van gratis rechten rond 2029-2030 voor staal amper verandert, een structurele oplossing voor CBAM-exporten ontbreekt en de nieuwe voorwaarden voor gratis allocatie extra lasten en juridische onzekerheid creëren.
- Bellona stelt dat het verlagen van de lineaire reductiefactor het investeringssignaal voor vergroening verzwakt. De organisatie is kritisch op het uitstellen van de uitfasering van gratis rechten en op het gebruik van internationale kredieten en permanente removals als vervanging voor binnenlandse emissiereducties. Wel ziet Bellona kansen in een sterkere inzet van ETS-opbrengsten via de Industrial Decarbonisation Bank, maar pleit zij voor een strenger ontwerp, een apart doel voor permanente removals en een zeer beperkte, “laatste redmiddel”-rol voor internationale kredieten.
