Last Updated on January 5, 2021
De EU wil ook in 2020 doorgaan met het financieel ondersteunen van de jeugd. Voor onderwijs onder het Erasmus+-programma is voor 2010 2.8 miljard euro beschikbaar gesteld. Dit is een stijging van 1.8% vergeleken met 2019. Het totale budget voor Erasmus+ over de periode 2014-2020 is 14.74 miljard. Het Erasmus+ programma investeert naast onderwijs en opleiding ook in jongeren en sport. De Europese Commissie wil de financiering van Erasmus+ voor de periode 2021-2027 verdubbelen tot 30 miljard euro.
Het beleid dat tot 2020 van kracht is, is gericht op het bereiken van vier doelen.
- -Levenslang leren promoten en het bevorderen van leermobiliteit, door het mogelijk te maken om, bijvoorbeeld, in het buitenland te studeren. Hiervoor wordt onder andere geld vanuit Erasmus + gebruikt om onderwijs en opleiding op alle niveaus en voor alle leeftijden te faciliteren.
- – Het verbeteren van de kwaliteit en efficiëntie van onderwijs en opleiding. Om dit te bereiken zette de EU in 2012 rethinking education op, om te kijken hoe het ervoor stond met het onderwijs in de EU en wat er gedaan moest worden om het te verbeteren. Met het resultaat van dat onderzoek, is de EU zich meer gaan richten op onder andere talen en ondernemersvaardigheden.
- – De kansengelijkheid, sociale binding en actief burgerschap bevorderen. Het Europees Solidariteitskorps en DiscoverEU zijn programma’s die in het leven zijn geroepen om hieraan bij te dragen.
- – Creativiteit, ondernemerschap en innovatie bevorderen op alle onderwijs- en opleidingsniveaus.
In 2018 publiceerde de Commissie nieuwe voorstellen voor investeringen in het onderwijsbeleid. Zo wil de Commissie het Europees Solidariteitskorps uitbreiden tot 350.000 leden en moeten er 200.000 gratis Interrail-passen beschikbaar gesteld worden voor jongeren om Europa te verkennen onder DiscoverEU. Ook wil de Commissie de financiering van het Erasmus + programma verdubbelen en een Europese Onderwijsruimte creëren. Het Parlement en de lidstaten moeten zich nog over deze en andere voorstellen buigen.
De Raad van de EU heeft in juni 2020 conclusies aangenomen over Europese leraren en trainers voor de toekomst. In de conclusies wordt onder andere gesteld dat ‘te weinig aandacht wordt besteed aan de ondersteuning voor interinstitutionele personeelsontwikkeling, inclusief internationale onderwijsmobiliteit, maar ook aan het opbouwen van praktijkgemeenschappen en professionele netwerken’.
De Euronest parlementaire vergadering, bestaande uit leden van het Europees Parlement en de nationale parlementen van Oekraïne, Moldavië, Armenië, Azerbeidzjan en Georgië, heeft in april 2020 een resolutie aangenomen betreft innovatie en kansen in het onderwijs. De resolutie dringt aan op de mogelijkheid voor leraren van het Oostelijk Partnerschap om via Erasmus+ praktische ervaring op te doen door in EU-scholen aan mobiliteitsregelingen deel te nemen.
Noorwegen heeft ingezet op meer rechten voor uitwisselingsstudenten. Het land heeft in april 2020 een nieuw regelgevend kader ingevoerd voor uitwisselingsorganisaties, om de kwaliteit van de gasthuizen, de veiligheid en de ondersteuning van leerlingen te waarborgen. Dit nieuwe kader moet meer jongeren inspireren tot uitwisselingen en studenten helpen hun ervaring ten volle te benutten.
Door de komst van buitenlandse studenten zijn opleidingen met een numerus fixus minder toegankelijk geworden voor Nederlandse studenten, vooral voor vrouwen, niet-westerse migranten en studenten met weinig geld. Dat schrijft de Onderwijsinspectie in december 2019. Het is echter niet duidelijk of dit echt alleen maar is toe te schrijven aan de toestroom van internationale studenten of dat er meer oorzaken zijn, bijvoorbeeld zelfselectie.
Mededeling Studenten Mobiliteit
Eerder in 2010 publiceerde de Europese Commissie een mededeling over studentenmobiliteit. Deze aanbeveling heeft als doel de leermobiliteit van jongeren te vergroten. De aanbeveling is een uitwerking van één van de maatregelen die de Europese Commissie had aangekondigd in het initiatief “Jeugd in Beweging”.
Deze aanbeveling is verder een vervolg op een aanbeveling van de Raad en het Europees Parlement uit 2001 over mobiliteit voor studenten, waarmee destijds verbeteringen in gang zijn gezet. Volgens de Europese Commissie is er al veel bereikt maar moet er nog een hoop gebeuren, met name om barrières die mobiliteit in de weg staan te identificeren en te elimineren. De Europese Commissie beveelt de lidstaten aan om op de volgende punten actie te ondernemen:
- Informatie over en begeleiding bij de mogelijkheden voor mobiliteit;
- Motivatie om te participeren in activiteiten van transnationale mobiliteit;
- Voorbereiding van mobiliteitsmogelijkheden, met name op het gebied van kennis van andere talen;
- Wettelijke en institutionele obstakels gerelateerd aan de onderwijsperiode in het buitenland;
- Meeneembaarheid van beurzen en leningen;
- Kwaliteit van de mobiliteit;
- Erkenning van de studieresultaten;
- Minder bevoorrechte leerlingen;
- Partnerschappen en fondsgelden;
- De rol van versterkers, en de vooruitgang monitoren op een zogenaamd ‘Mobility Scoreboard’.
Een belangrijk punt uit de aanbeveling is het volgende: De Europese Commissie onderzoekt in samenwerking met de Europese Investeringsbank, de mogelijkheid om op EU-niveau een studiefinancieringsvoorziening op te zetten, in aanvulling op regelingen van lidstaten. De beschikbaarheid van studieleningen voor jongeren zou kunnen worden vergroot.
